Waarom zijn groene gewasbeschermingsmiddelen niet altijd beschikbaar voor bollentelers?

Er worden steeds meer biologische en minder milieubelastende gewasbeschermingsmiddelen ontwikkeld. Dat past bij de wens van telers, overheden en samenleving om het gebruik van chemische middelen verder te verminderen. In de praktijk zijn deze groene middelen echter niet automatisch beschikbaar voor alle gewassen, waaronder leliebollen. In Europa moet voor elk middel en voor elk gewas afzonderlijk een toelating worden aangevraagd. Zo’n procedure is complex, kostbaar en tijdrovend. Voor kleinere teelten, zoals sommige bolgewassen, is het voor producenten daardoor vaak niet aantrekkelijk om die toelating aan te vragen.

Daarnaast komt in de bloembollenteelt een aantal lastig te bestrijden ziekten en plagen voor. De effectiviteit van een middel moet voor een teler voldoende robuust zijn om het in te zetten. Onder gecontroleerde omstandigheden zoals in kassen is dit gemakkelijker dan in buitenteelten zoals de bloembollenteelt. Daardoor is het aantal registraties voor de bedekte teelten in het algemeen groter dan voor de onbedekte teelten. Daarnaast moet de werking van een groen middel ook aansluiten bij het ziekten- en plagencomplex in de bloembollenteelt. Samen met de fabrikanten wordt er gewerkt aan brede beschikbaarheid van de groene middelen en worden verdere ontwikkelingen van groene middelen met een robuuste werking gestimuleerd.


De telers willen verduurzamen en minder middelen gebruiken, maar de huidige wet- en regelgeving maakt het soms lastig om duurzame alternatieven snel toe te passen. De sector pleit daarom voor een systeem waarin veiligheid voorop blijft staan, maar waarin ook ruimte is om bewezen, minder belastende middelen sneller beschikbaar te maken voor specifieke teelten.